Boekbespreking 9


Boekbespreking 9
Ik ben voor deze column, de eerste van het coronaseizoen 2020–2021, maar eens in mijn boekenkast gedoken op zoek naar half vergeten juweeltjes. Dat werd door Piet Konijn ook al gedaan, maar hij beperkt zich tot schaak- en aanverwante boeken. Degenen die mij een beetje kennen, weten dat ik een bewonderaar ben van alles wat met taalgrappen en/of woordspelingen te maken heeft. Zo ben ik o.a. in het bezit van een lijvig boek met de complete liedteksten van Drs. P.
Maar goed, daarover nu niets, heel misschien een andere keer. Of ik verwerk iets in een wedstrijdverslag. In een grijs verleden heb ik dat eens gedaan met de Dodenrit (trojka hier, trojka daar) van Drs. P in een verslag van een wedstrijd van ons in en tegen Koedijk. We vertrokken toen met een forse laag sneeuw op de weg, vandaar de associatie met Siberië (Ja, Omsk is een mooie stad maar net iets te ver weg).
Maar nu dus iets uit mijn boekenkast. Ik stuitte op een boekje met de intrigerende titel "Ik wou dat ik twee hondjes was". Dit boekje is geheel gewijd aan de dicht- of versvorm die ook wel nonsens- of plezierdicht wordt genoemd. Deze titel verwijst naar zo'n gedichtje van wijlen Godfried Bomans en dat gaat als volgt:
Ik zit mij voor het vensterglas
Onnoemelijk te vervelen
Ik wou dat ik twee hondjes was
Dan kon ik samen spelen
Dit boekje heb ik ooit gekregen als verjaardagscadeautje van mijn oudste broer, waarschijnlijk was dat voor mijn twintigste verjaardag. Het stond al jaren ingeklemd tussen Herman Melville's Moby Dick en een boekje van Yvonne Kronenberg met de titel: "Meneer als ik u zie heb ik zo'n zin in ruzie". Enkele jaren geleden, op mijn 66ste verjaardag kreeg ik het opnieuw cadeau, maar nu een herziene en flink uitgebreide versie. Ik heb het toen vluchtig doorgekeken en op de plek van de oude versie neergezet. De oude versie is overgegaan op mijn oudste zoon en daarmee raakte het in de vergetelheid.
Toen ruim anderhalf jaar geleden mijn oudste broer Henk overleed moest zijn huis worden leeggehaald. Hij bleek over een vrij grote hoeveelheid boeken te beschikken, waarbij er ook een aantal waren die iets met taal hadden. Van de broers en zussen (hij was vrijgezel en kinderloos) interesseerde ik mij het meeste voor deze categorie en heb deze dan ook overgenomen/geërfd.
Van deze titels valt er eentje op door een verwijzing naar grafschriften. Het heet: "Hier ligt Poot, hij is dood". Dit boekje bevat niet alleen gefingeerde grafschriften, maar een bloemlezing van de kortste Nederlandse gedichten, ingedeeld in 10 categorieën/hoofdstukken. Omdat wij in een café spelen, hierbij eentje uit de categorie Dorst en nadorst, het is van de hand van Jan Boerstoel.
Wanneer men spreekt over de kroeg
Dan luidt het meervoud kroegen
Doch slechts zelden heeft genoeg
Te maken met genoegen
En nog eentje uit dezelfde categorie, nu van voormalig dichter des vaderlands Driek van Wissen:
Het wrakke lijf, verziekt door de jenever
Vindt het gezond verstand als tegenstrever
Want enerzijds trekt naar de kroeg het hart
Doch naar het kerkhof anderzijds de lever
 
En tot slot nog eentje uit de categorie Flora en fauna, toevalligerwijs met hetzelfde onderwerp:
Een rotgans uit Heerhugowaard
Zat in café "Het vette paard"
En luchtte bij een glas jenever
Zijn opgekropte ganzenlever
"Ik ben", zo sprak het beest gekrenkt
"lang niet zo'n rotgans als men denkt"
Deze column ging dus in meer of mindere mate over de (on)geneugten van alcoholische versnaperingen, al dan niet genuttigd in een café. Voor een van de volgende maanden ga ik het nog een keer hebben over taalacrobatiek. Ik heb namelijk, alweer uit mijn broers nalatenschap, een ander juweeltje tegengekomen en wil dat graag met u doornemen. Welk boekje? Dat hou ik nog even voor me, maar voor nu wens ik u alvast veel leesplezier.
Schrijver d6
Gerrit van Oostrum